![]() |
Larense klederdracht
Op de nostalgische afbeelding hiernaast ziet u de verschillende Larense boeren klederdrachten bijeen. De dames en de heer aan tafel zijn op-zijn-zondags gekleed. De dame in de deuropening en de heer aan de melkbussen dragen beide door-de-weekse dracht, de werkkleding. Wat betreft de klompen: de zondagse zijn wit, de werkklompen behoeven dat niet te zijn.
De vierkante muts
In Gooi en Eemland, met name in Blaricum, Laren, Eemnes, Soest en een deel van Hoogland herkent men bij de vrouwen drie soorten mutsen: de vierkante muts, de ronde muts en de staartkap. De oudste van deze drie is de vierkante muts. Zie de boerin links op de foto. De vierkante muts is een vergroot soort Hollandse hulle waarvan de punten echter niet afhangen maar weer naar boven zijn opgespeld. Hierdoor krijgt het geheel een vierkante vorm. Deze echt kanten muts wordt gedragen op een zilveren of gouden oorijzer met aan de uiteinden gouden leeuwenkopjes. Om de hals draagt de vrouw bloedkoraal van vier en soms vijf rijen met een gouden vierkanten slot, ook wel pukkelslot genoemd. Ook draagt zij een witte krablap met daarop een gouden broche met filigrain versiering. Aan een ketting hangt een vierkant gouden kruis. Over het jak met hoge pofmouwen en ronde hals wordt een gekleurde overdoek met franje gedragen. De van achter geplooide rok is gemaakt van dezelfde stof als dat van het jak en is afgezet met bezemband. Dit alles is typerend voor een Katholieke klederdracht. Bij deze zondagse dracht hoort ook een zijden weerschijnschort die is afgezet met kant dat helemaal om de middel gaat en achter tegen elkaar sluit.
Rouw
In de rouw zijn uit de muts alle figuren verdwenen en is het tule effen. Ook zijn uit de rok alle kleuren verdwenen en het jak vervangen door een zwart exemplaar. Ook de overdoek deelt in de rouw. Het bloedkoraal is vervangen door één met zwarte glaskralen of gitten en het slot is niet van goud maar van zilver. De boot, de broche en het kruis zijn ook vervangen door rouwsieraden.
De staartkap
Rond de eeuwwisseling deed de staartkap zijn intrede. Deze bestaat uit 3 delen, de muts, de bol en de staart. Over het haar dat van voren netjes in een scheiding gekamd is, komt een zwart ondermutsje. De kap wordt gedragen op een zilveren of gouden oorijzer met gouden filigrain boeken. Die laatste zijn helaas niet te zien daar ze onder de flappen van de muts wegvallen. Aan weerszijden zijn gouden filigrain zijnaalden te zien en bovenop 2 gouden kapspelden, ook met filigrain bewerkt. Als een boerin het nog niet genoeg vond droeg zij ook nog valse krulletjes, bestaande uit 3 rolletjes zwart paardenhaar die aan beide zijden van de scheiding in het haar worden gestoken. Omdat, in tegenstelling tot de vierkante muts, bij deze dracht de oren vrij zijn, kunnen hier oorhangers worden gedragen. Het zijn lange oorhangers met dezelfde filigrain versiering. Om de hals gaat nog een bloedkoraal maar nu met het slot aan de voorkant. Op de japon wordt nog een gouden broche en een gouden ketting met kruis gedragen. Een fluwelen zwarte tas met zilveren beugel maakt het kostuum compleet.
Waarschijnlijk geïnspireerd door buitendorpse invloeden - men denke aan de deftige dames uit die tijd, met japonnen met veel smokwerk, kant en brodderie - voelde ook de boerin zich daartoe aangetrokken. Toch heeft zij er als boerin een eigen gezicht aan gegeven waardoor het onderscheid tussen de voorname burgerij en de boerenstand duidelijk zichtbaar bleef.
Het boerenpak
Op het eerste gezicht ziet de boer er in zijn zwarte pak maar sober uit. Toch lijkt dat maar zo te zijn. Hij draagt een hoogzijden boerenpet. Over zijn blauw of grijs gestreepte boezeroen draagt hij een dicht vest met gouden keelknopen. Op zijn vest prijkt een gouden of zilveren horloge aan een zilveren horlogeketting met signetten. Specialiteit voor het boerenkostuum is de klepbroek, ook wel genoemd een broek met presenteerblad.
's Zondags droeg de boer schoenen maar in de winter ging met ook wel op klompen naar de kerk. De winterperiode liep van Allerheiligen (1 november) tot aan Pasen. De klompen moesten dan wel schoon zijn en wit gemaakt worden met bik, een soort krijtpoeder.
Méér informatie over Larense klederdracht vindt u op de interessante web site van de Historische Kring Laren.
